Initiatieven

Het Levend Archief  richt zich op het verzamelen, opkweken en opslaan van zaden alle inheemse Nederlandse planten, te beginnen bij de ernstig bedreigde plantensoorten en populaties. 


In het kader van de Rode Lijst soorten zijn veel initiatieven ontstaan –  of hebben reeds bestaande initiatieven zich aangesloten bij Het Leven Archief – om verder uitsterven van inheemse soorten dan wel autochtone populaties te voorkomen.

Onderstaande lijst aan initiatieven laat goed zien wat er allemaal voor prachtige projecten zijn op het gebied van het behoud en verhogen van de biodiversiteit in Nederland.

De Afsluitdijk – die eigenlijk een dam is – werd in 1932 gedicht. Daarmee ontstond een zeer bijzonder biotoop voor planten: de ca. 300 ha oppervlakte bestaat vrijwel geheel uit zeekust- en meeroeverbiotoop, beide met een lengte van 30 kilometer. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Afsluitdijk belangrijke populaties herbergt van de zeldzame tot zeer zeldzame plantensoorten Wilde kool (Rode Lijst, gevoelig), Strandbiet, Gele hoornpapaver, Blauw walstro (RL, kwetsbaar), Zeelathyrus (RL, gevoelig), Fijn goudscherm (RL, bedreigd) en Zeevenkel. Omdat de Afsluitdijk inmiddels niet meer aan de nieuwe veiligheidscriteria voldoet, wordt hij van 2018 tot 2022 bij de tijd gebracht met een groots plan: De Nieuwe Afsluitdijk. Daarin worden veel meer functies aangepakt dan veiligheid alleen. Zo komt er ook een ingenieuze vismigratierivier met omringend natuurgebied. Toch zal het project, tenminste tijdelijk, ook voor natuurverlies leiden. De genoemde plantensoorten zullen bijvoorbeeld op grote schaal onder zand/grond en andere materialen verdwijnen. Waarschijnlijk komen sommige langs natuurlijke weg weer terug, maar dat is niet gezegd van alle soorten. Daarom is op initiatief van Ben Bruinsma uit Sint Annaparochie (Frl) in de herfst van 2018 begonnen met het winnen van zaden. In 2019 zal die ‘oogst’ voortgezet worden. De zaden worden in het Levend Archief geconserveerd en bewaard. Bruinsma wordt daarbij gesteund door FLORON-district Friesland-West en het Planteferbân van de Fryske Feriening foar Fjildbiology (FFF). Of en hoe de zaden later in het project of na afloop ervan ingezet worden voor floraherstel, is nog niet helemaal duidelijk, maar nu wordt die mogelijkheid tenminste open gehouden. Wie wat bewaart, heeft wat.

Akkeronkruiden zijn soorten die goed gedijen in cultuurakkers. De laatste jaren is de landbouw echter enorm geïntensiveerd; er wordt te vaak en te diep geploegd met moderne langbouwvoertuigen, er worden gifstoffen gebruikt, te veel mest opgebracht en nieuwe gewassen gebruikt die de ondergroei van de akker kunnen verstikken. Hierdoor zijn bepaalde akkeronkruiden (die vroeger algemeen waren) met 75 tot 100% achteruit gegaan. De afgelopen jaren zijn door initiatiefnemers als Peter Verbeek, Marcel Bolten en enkele anderen zeer intensieve pogingen gedaan om in alle uithoeken van het land de resterende populaties van akkeronkruiden te bezoeken, hier zaad van te verzamelen, op te kweken en te herintroduceren in natuurakkers waar de soorten vroeger voorgekomen hebben.

De Solanaceae collectie van Gerard van der Weerden is de grootste Solanaceae collectie van de wereld. Hiertoe behoren moderne en zeer oude rassen van gewassen als Tomaat, Paprika en Aardappel, maar tevens honderden wilde soorten. Doordat al deze genetische diversiteit bewaard blijft en niet verloren gaat, is het mogelijk om bepaalde verloren eigenschappen terug te brengen in de moderne gewassen. Zo kan resistentie tegen ziekteverwekkers of de afname van smaak of voedingswaarde teruggebracht worden door de gewassen onderling te kruisen.

Een deel van de collectie is momenteel te vinden in Naturalis Biodiversity Center en een deel in herbarium Frisicum.

Op een legerterrein bij Soest werd begin deze eeuw de grootste groeiplaats van Blaasvaren van Nederland ontdekt: onder honderden legertrucks die daar al tientallen jaren ongebruikt stonden. Toen defensie deze trucks wilde verkopen werd erop gewezen dat daarvoor een  vergunning moest worden aangevraagd in het kader van de natuurbeschermingswet. Toen deze vergunning  werd geweigerd, leidde dat tot ruzie op ministerieel niveau. Uiteindelijk werden de planten deels gered. De exemplaren in Pinetum Blijdenstein en in de hortus van Utrecht komen van deze legerplaats.

Zaagblad is een paarsbloemige composiet die helaas in 1977 uitgestorven is. De laatste groeiplek was het Leusenermaan. Ruud Jonker heeft destijds echter nog zaden kunnen verzamelen van verschillende planten op deze locatie. Hij is in staat geweest dit zaad op te kweken in eigen tuin en heeft hier jaar in jaar uit een stabiele populatie van Zaagblad behouden! Er is in de tussentijd poging gedaan om hier zaden van op te kweken en te herintroduceren op de voormalige bronlocatie, maar dit is helaas mislukt. Mogelijk waren de abiotische omstandigheden niet langer geschikt en moet eerst enige vorm van herstel maatregels getroffen worden. Met vernieuwde aandacht en hulp vanuit Het Levend Archief is het misschien mogelijk om een nieuwe poging te wagen om dit inheemse materiaal terug te brengen!

In Noord-Brabant zijn FLORON, Science4Nature, Staatsbosbeheer en Brabants Landschap in 2013 gestart met een herstelproject rondom Zwartblauwe rapunzel. Op dat moment waren van deze prachtige soort nog maar enkele locaties met een handjevol bloeiende planten te vinden. Onderdeel van het herstelproject was een kweekprogramma om al het genetische materiaal dat nog in de regio aanwezig was te vermeerderen en uiteindelijk te gebruiken voor het versterken van de overgebleven populaties. Hiervoor zijn zaden geoogst van de laatste bloeiende planten, deze zaden zijn vervolgens opgekweekt door Science4Nature in Amsterdam. Uit kruisingen tussen deze planten zijn nieuwe zaden gewonnen. Begin 2014 zijn deze zaden met succes uitgezaaid: de eerste jonge rapunzels kwamen al gauw boven de grond! In 2015 stonden de eerste planten zelfs al in bloei en konden nieuwe zaden gaan produceren voor het verder versterken van de Brabantse populaties. Inmiddels worden ook initiatieven ontplooid om de soort vanuit het kweekprogramma op andere locaties te herintroduceren.

Na het succes in Noord-Brabant is er ook een project gestart om populaties van Zwartblauwe rapunzel in Drenthe een steuntje in de rug te geven!

Samen met Staatbosbeheer, Hoogheemraadschap Noorderkwartier en landschapsbeheer Rinnegom werkt FLORON aan de instandhouding van de (vermoedelijk) laatste populatie van Tengere distel. Deze stekelige zeldzaamheid groeit voornamelijk op stikstofrijke grond in het kustgebied en is te vinden op een oude wierdijk in de kop van Noord-Holland. In 2015 is FLORON gestart met een project om de toekomst van de Tengere distel veilig te stellen. Na meerdere jaren onderzoek naar verschillende beheervormen is in 2018 besloten om zaden van de distel te verzamelen en onder gecontroleerde omstandigheden op te kweken in de kassen van de Radboud Universiteit. Tevens is een gedeelte van de zaden opgeslagen in de Nationale Zadencollectie. De opgekweekte exemplaren zijn in 2018 op de dijk uitgeplant ter versterking van de steeds kleiner geworden populatie. In januari 2019 werden ruim 600 zaailingen van de Tengere distel geteld op de oude wierdijk.  

In het oosten van de Flevopolder, in Roggebotzand bij Dronten beheert Staatsbosbeheer een gigantische genenbank van houtige gewassen. Inmiddels hebben zij reeds 57 soorten houtige gewassen staan, waaronder bomen als Eiken, Lindes en Iepen, maar tevens struiken als Jeneverbes, Zuurbes en Bosroos. Zij verzamelen hier jaarlijks vruchten en zaden en verkopen deze zaden aan kwekers die deze vervolgens kunnen opkweken voor aanplant van bossen. Naar schatting betreft nog slechts 5% van Nederlandse houtige planten wild, inheems materiaal. De overige 95% omvat gebiedsvreemde soorten en variëiteiten uit alle delen van de wereld.

De rozencollectie in Wageningen behoort tot de grootste en belangrijkste van de wereld. Naast een paar honderd verschillende soorten en variëteiten wilde rozen uit Europa, NoordAmerika en Azië groeien hier diverse historische rozen die door eeuwenlange kruising, mutatie en selectie zijn ontstaan uit een klein aantal wilde soorten. Verscheidene van deze oude cultuurvariëteiten zijn niet meer in de handel verkrijgbaar. De rozencollectie is grotendeels in de jaren tachtig van de twintigste eeuw verzameld door rozenexpert Jan Belder. Dankzij zadenuitwisseling met botanische tuinen in de hele wereld is een omvangrijke verzameling ontstaan!

Op de Universiteit van Wageningen is de afdeling CGN (Centrum voor Genetische bronnen Nederland) verantwoordelijk voor het beheer en de opslag van zaden van duizenden cultuurgewassen variërend van Tomaat, Aubergine en Courgette tot Tarwe, Gierst en Rogge. Zij hebben zeer professionele voorzieningen om de zaden jarenlang op te slaan, zonder dat de zaden hun kiemkracht verliezen. Niet alleen zorgt dit er voor dat eeuwenoude rassen van over de hele wereld niet verloren gaan, maar deze oude rassen kunnen ook gebruikt worden voor terugkruisingen met moderne gewassen om verloren eigenschappen terug te krijgen!

Heischrale soorten als Hondsviooltje, Tandjesgras en Liggende vleugeltjesbloem zijn soorten die je vindt in schrale (voedselarme), droge zandgronden in de heide. Deze heischrale soorten zijn de afgelopen tijd sterk achteruit gegaan. Zo heeft zure regen vanaf 1980 grote schade aangericht, maar een veel groter probleem is de huidige stikstofdepositie. De hoeveelheid stikstof in de atmosfeer is de laatste tijd enorm toegenomen, o.a. door uitlaatgassen en zware bemesting. Wanneer deze stikstof door regenval neerslaat op de heide, zorgt dit voor een enorme toevoer van nutriënten, een afname van de buffercapaciteit van de bodem en bij sterke verzuring zelfs het vrijkomen van het voor veel plantensoorten giftige aluminium. Dit betekent dat algemene grassoorten als Bochtige smele of Pijpenstrootje de heide gaan domineren, waardoor de heischrale soorten steeds meer competitie ondervinden. Door goed beheer zijn de effecten van het teveel aan stikstof in de bodem te beperken. Zo zorgt begrazing door schapen er voor dat grassen kortgehouden worden, maar doordat de schapen ‘s nachts in de kooi gezet worden, wordt ook een hoop stikstof (opgeslagen in de grassen) afgevoerd. Vaak zijn meer drastische maatregelen noodzakelijk; plaggen van de toplaag verwijdert niet alleen een hoop stikstof uit de bodem, maar zorgt tevens voor het resetten van het successiestadium. Teveel plaggen is echter óók niet goed, want uiteindelijk raakt de bodem geheel uitgeput: er zitten dan nauwelijks voedingstoffen in, en het bufferend vermogen is tot bijna nul gereduceerd. Momenteel lopen in allerlei heideterreinen experimenten met toediening van steenmeel, dat het mineralengehalte van de bodem aanvult en de voor heischrale soorten essentiële buffercapaciteit weer kan herstellen.

Het blijkt echter steeds vaker dat bovenstaande maatregelen alleen niet voldoende zijn om heischrale graslanden te herstellen. De populaties van veel karakterstieke soorten zijn inmiddels zó klein geworden en van elkaar geïsoleerd geraakt dat ze niet meer op eigen kracht kunnen reageren op herstelbeheer. Ze hebben essentiële genetische diversiteit verloren, zijn ingeteeld, en produceren daardoor veel minder zaden, die óók nog eens van mindere kwaliteit zijn.

Momenteel ernstig bedreigde heischrale soorten zijn Rozenkransje, Knollathyrus, Kleine schorseneer, Valkruid, Kleine tijm en Heidezegge.

  • Rozenkransje heeft nog levensvatbare populaties in de duinen bij Bergen aan Zee en op Schiermonnikoog, maar heeft het zwaar in Meijendel en op Texel. Van de heischrale graslanden in het binnenland is de soort op één rozet in Drenthe na uitgestorven, en een klein aantal planten overleeft tenauwernood in een leemrijk stukje in het Goois Natuurreservaat. De tweehuizigheid van het Rozenkransje is nu een probleem geworden: in veel kleine populaties overleven alleen nog enkele vrouwelijke planten, zodat zaad niet meer geproduceerd kan worden.
  • Ook Knollathyrus is afgenomen tot enkele kleine populaties verspreid over Nederland. Alleen in Drenthe komen nog enkele grotere populaties in goed heischraal grasland voor. Het lijkt er echter op dat ook grotere groeiplaatsen uit slechts één of enkele grote klonen bestaan, gevormd door lange uitlopers. Bestuiving door hommels leidt daardor vooral tot inteelt, en de gevormde peulen bevatten daardoor zeer weinig zaden.
  • Van Kleine schorseneer zijn er nog maar vier populaties in Nederland over: één in Drenthe en drie op de Veluwe. Veel populaties zijn echter dusdanig klein, dat zelfs bestuiving door insecten niet meer tot goede zaden kan leiden, omdat de voor zaadzetting benodigde genetische diversiteit te gering is en open bloemhoofdjes een te beperkte partnerkeuze hebben.
  • Valkruid heeft hetzelfde voortplantingssysteem als de Kleine schorseneer. Gelukkig zijn er van Valkruid nog wel goede bronpopulaties over, maar als we niet oppassen gaat deze soort dezelfde weg!
  • Kleine tijm is een onopvallende soort die het moet hebben van door verstoring gevormde kale randjes en overhoekjes. Ook van deze soort verdwijnen steeds meer populaties, zodat we in de gaten moeten houden dat hij niet opeens gereduceerd is tot enkele overhoekjes.
  • Heidezegge heeft momenteel nog vitale populaties, maar het verspreidingsgebied is dusdanig klein, dat dit in de toekomst wel eens anders zou kunnen worden.

Stichting Science4Nature heeft de afgelopen jaren met steun van de Provincies Noord-Brabant, Drenthe en Noord-Holland onderzoek gedaan naar deze soorten en een kweekprogramma opgezet. Het doel daarvan is om (a) inzicht te krijgen in de levensvatbaarheid van de resterende populaties, en (b) zaden te produceren met zo hoog mogelijke genetische diversiteit, waarmee bestaande populaties versterkt kunnen worden en in hersteld leefgebied populaties kunnen worden geherintroduceerd.

Science4Nature werkt samen met het Levend Archief voor het over langere termijn veilig stellen van de genetische diversiteit door middel van het opslaan van de zaden van bovengenoemde soorten. Dit is met name voor deze snel achteruitgaande soorten, die last hebben van lage levensvatbaarheid door o.a. een slecht voortplantingsucces, een zeer belangrijke stap op weg naar een duurzaam herstel.

Vechtanjers in bloei is een samenwerkingsverband tussen het Staatsbosbeheer Overijssel en het natuuractiviteitencentrum De Koppel in Hardenberg. Het initiatief richt zich op het behoud van de bedreigde stroomdalflora langs de Vecht, waartoe in de Koppeltuin een aantal zaadhofjes worden aangelegd. Zowel de droge stroomdalflora als die van de vochtige beemden staan in het vizier. Gedacht wordt aan het opzetten van twee sets plantenbakken in de vorm van een Steenanjer (plaatselijk de Vechtanjer genoemd), met centraal een grotere bak waarin de graslandgemeenschap wordt getoond en eromheen telkens vijf kleinere bakken (de kroonbladen), waarin specifieke en bedreigde soorten worden opgekweekt. Van de laatste worden de zaden geoogst voor het Nationale Zaden Collectie en mogelijk (eventueel via telers) om in te zetten bij herintroductieprogramma’s. Beoogde soorten zijn onder andere: Steenanjer (Dianthus deltoides), Kleine tijm (Thymus serpyllum), Grote wilde tijm (Thymus pulegioides), Tripmadam (Sedum rupestre), Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris).

In 2017 werd de roggelelie op zijn laatste wilde vindplaats niet meer teruggevonden en werd de soort toegevoegd aan de in het wild uitgestorven soorten in Nederland.
De oranje roggelelie groeide vroeger vooral in de “eeuwige” winterrogge-akkers op schrale, met zoden of plaggen verrijkte zandbodems van de Saale ijstijd van Drenthe in het westen tot aan de Elbe in het oosten. Het vroeger onuitroeibare akkeronkruid heeft uiteindelijk toch het loodje gelegd. Govelin aan de Elbe is de uitzondering op de regel. 
Uit onderzoek is gebleken, dat de roggelelie geen ontsnapte cultuurplant uit tuinen is, zoals indertijd klakkeloos werd aangenomen. De roggelelie is vanuit de akkers in tuinen gehaald, omdat ze mooi en gratis waren. Met name in Gieten waar de lelie vroeger op acht akkercomplexen voorkwam, zijn er nu nog tuinen waar de lelie, uitgegraven op de essen, nog steeds aanwezig is. Met medewerking van die tuineigenaren, kunnen we weer een populatie opbouwen met oorspronkelijk Drents materiaal.  SBB Drenthe werkt ook mee door het beschikbaar stellen van een reservaatakkerakker.
Meer informatie is te lezen op: http://www.globalsciencebooks.info/Online/GSBOnline/images/2012/FOB_6(SI2)/FOB_6(SI2)53-62o.pdf
Zie ook de aflevering van Drenthe Nu op RTV Drenthe van 26 juni 2018 over de roggelelie in Govelin (D) en Oudemolen (NL).

Philippine Vergeer van de Wageningen Universiteit heeft in samenwerking met de Bosgroepen Zuid en de Unie van Bosgroepen een project opgezet om onderzoek te doen naar populaties van zeldzame kruiden, struiken en bomen om deze zeldzame soorten genetisch te versterken met lokaal materiaal. 

In het kader van dit project zal er onder andere standplaats onderzoek worden uitgevoerd naar een aantal redelijk zeldzame soorten, zoals Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum), Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), Verpreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium) en Paardenhaarzegge (Carex appropinquata). En voor zeldzame soorten, waaronder Knikkend nagelkruid (Geum rivale). Allemaal bossoorten die zich momenteel niet meer spontaan uitbreiden.

Karst Meijer wil de genetische diversiteit van bijzondere Paardenbloemen beschermen door zaden van deze soorten te verzamelen voor de Nationale Zadencollectie. 

Hierbij ligt momenteel de nadruk op moeras- en zandpaardebloemen.

Dit is een initiatief van Dunea om populaties van Rozenkransje (Antennaria dioica) en Kruisbladgentiaan (Gentiana cruciata) genetisch te versterken door kruisingen uit te voeren. Van Rozenkransje zijn er in Meijendel nog maar 40 rozetten over en waarschijnlijk zijn dit allemaal vrouwelijke planten. 

Daarnaast is Dunea een project begonnen in de binnenduinen van Wassenaar om, in samenwerking met Joop van Caldenborgh van Landgoed Voorlinden, gebieden te beheren volgens Natura 2000 beheerplannen. Op landgoed Voorlinden staat tevens een in elkaar gezakt kassencomplex, dit complex willen ze graag herstellen en hier te zijner tijd gebruiken voor het opkweken van zaden van inheemse soorten. Mogelijk komt hier ook een collectie bolgewassen in de rand van het terrein. 

Van Grote bosaardbei (Fragaria moschata) is nog maar één populatie over. De bloemen van deze soort kunnen zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen bevatten, maar de soort is vaak tweehuizig. De populatie die nog over is lijkt uit alleen vrouwelijke planten te bestaan en zich dus vegetatief te vermeerderen. Het Levend Archief wil, met als coördinator Rense Haveman, graag initiatief nemen om de laatste populatie van deze soort in Nederland te beschermen. 

De Knolsteenbreek (Saxifraga granulata) is een kenmerkende soort van vochtige hooilanden. Vooral in het Zuiden van Nederland kwam de Knolsteenbreek algemeen voor, maar vanwege ingrijpende veranderingen in het landschap is het aantal populaties van deze soort drastisch gedaald. Een belangrijk deel van het Nederlandse verspreidingsgebied van ligt in Noord-Brabant, maar ook in Brabant heeft de soort het moeilijk. Vóór 1950 was de soort bekend van 248 kilometerhokken terwijl het aantal kilometerhokken in de periode 2002-2013 is geschat op 65, dat is een achteruitgang van 74%. 

De soort is tegenwoordig voornamelijk te vinden in wegbermen en slootkanten, terwijl zij eigenlijk thuishoort in vochtige hooilanden. Dit jaar start FLORON samen met Science4Nature en met financiële steun van Provincie Noord-Brabant een project om de Knolsteenbreek weer in haar natuurlijke habitat te laten floreren. We zullen middels kiemingsexperimenten gaan kijken waarom de soort zo sterk achteruit is gegaan in hooilanden. Daarnaast zullen we aanbevelingen doen om het beheer in deze hooilanden te optimaliseren, zodat de Knolsteenbreek zich weer kan uitbreiden.

In Noord-Brabant komt Kruipend moerasscherm voor op vier locaties, deze liggen in de Groespeel bij Mill, in ‘t Hurkske bij Veghel, langs de Essche stroom bij Esch en in de Gement bij
Moergestel. De afgelopen jaren is er hard gewerkt om het instandhoudingsbeheer van Kruipend moerasscherm (Apium repens) op deze groeiplaatsen te optimaliseren. Zonder gericht beheer zou de soort hier namelijk snel weer kunnen verdwijnen. In samenwerking met de terreinbeheerders van de vier groeiplaatsen heeft FLORON locatie-specifieke beheeringrepen getest om te zien welke de beste resultaten opleveren voor de instandhouding van Kruipend moerasscherm. 

De bestuivings- en kiemingsecologie van een populatie is sterk bepalend voor het wel of niet slagen van beheeringrepen, daarom willen we het project dit jaar uitbreiden met bestuivings-experimenten. Op basis van deze bestuivings-experimenten kunnen we vaststellen of er voldoende bestuiving plaatsvindt op de groeiplaatsen zodat deze zouden kunnen uitgroeien tot grote, stabiele populaties. Op basis van de resultaten zullen wij advies uitbrengen over maatregelen die genomen kunnen worden om de levensvatbaarheid van de populaties te verhogen. Daarnaast zullen er zaden verzameld worden voor de Nationale Zadencollectie.

Copyright © 2019. All rights reserved.